cursus Rilke: dichten, denken en mediteren met een modernist op 30.11.2019.

De twee bekendste gedichten van Rainer Maria Rilke (1875-1926) zijn ‘De panter’ en ‘Herfstdag’. Hij schrijft ze in het najaar van 1902, na zijn vertrek naar Parijs en zijn kennismaking met beeldhouwer Auguste Rodin. De gedichten staan aan het begin van een periode waarin expressie plaats maakt voor onderzoek en Rilke een nieuw type spiritualiteit ontwikkelt, nieuw voor hem zelf en nieuw in de geschiedenis van religie en filosofie. Rilke spoort zijn lezers aan zich volledig toe te vertrouwen aan het eigen innerlijk en aan het onbekende daarvan, zonder hulp van een leer of goeroe. De cursusdag geeft een introductie op deze periode met als centrale tekst een meditatie-instructie uit 1905 die lezers kan helpen hun eigen levensfilosofie te ontwikkelen.

Wat de insteek is van deze instructie? Zwaarte, het zware. Niet de unbearable lightness of being maar de bearable weight ervan. Ga het aan, ga het niet uit de weg, maant Rilke. Draag het, omarm het, koetser het, omring het met liefde als was het je kind. Nietzsches amor fati maar dan zonder Nietzscheaanse bravoure en met oneindig begrip voor de oneindigheid van de opgave. En met een verrassend concrete beginvraag, de betere leraren zijn in de regel verrassend concreet: hoe je ’s ochtend opstaat. Daarmee begint het, elke dag opnieuw. Daarmee peil je wat zich innerlijk aan je voltrekt. Begin je de dag blij? Zo nee, waardoor dan niet? Wat is het obstakel?

Sta blij op voor je werkdag, zo je kunt. En kun je het niet, wat hindert je? Staat iets zwaars je in de weg? Wat heb je tegen het zware? Dat het je kan doden. Het is dus machtig en sterk.

Zo begint de tekst, en zo gaat ze anderhalve pagina door. Bij elkaar telt ze eenenveertig zinnen, waarvan er dertien eindigen met een vraagteken; bijna een kwart. ‘Eine Morgenandacht’ luidt de titel, ‘Andacht’ is een nog altijd courant Duits woord voor gebed of meditatie. Rilkes instructie is zowel gebed áls meditatie en daarmee weerspiegelt ze de kanteling die dan in Rilkes leven gaande is. Twee Rilke-versies schuiven hier in en uit elkaar, aan de ene kant hoor je de jonge Rilke met zijn naïeve (soms quasi-naïeve) godsvertrouwen, aan de andere kant de Rilke van de Neue Gedichte, duidelijk herkenbaar aan de vele vraagtekens en aan een beeld dat alle naïeve godsvertrouwen onderuit haalt.

De meditatie doen we aan het begin van de middag. In stilte, in een kring, waarbij elke deelnemer

vrij is te mediteren hoe zij of hij wil, op een stoel of op een kussen. Het ochtendgedeelte is de opmaat van dit alles en begint met een inleiding op Rilkes leven en werk aan de hand van gedichten, filmfragmenten en muziek. In het tweede gedeelte van de middag lezen we een aantal gedichten in een zogenaamde contemplatieve dialoog, een kringgesprek zonder discussie en ontwikkeld als een oefening in luisteren. Voor deze oefening mogen deelnemers gedichten aandragen, al  kunnen we er slechts twee op deze manier ‘behandelen’. 

 

Jan Oegema (1963) is letterkundige en organisator van Open klooster. Hij werkt aan een boek getiteld Kijk, vuurvliegjes! Rilke als leerling en meester. Rode draad daarvan is spiritueel leraarschap en het doel tweeledig. Het boek wil het gesprek openen over transmissie in de hedendaagse kunst en het wil daarbij Rilke presenteren als een bijna ideaal voorbeeld. Transmissie is een term uit de spirituele wereld en staat voor de overdracht van wijsheid, in het bijzonder van leraar op leerling. Rilke als leerling èn leraar: in combinatie een interessante ingang. Rilke maakt in beide rollen een ontwikkeling door die fascinerend is om te volgen, ook al omdat ze hem zelf nauwelijks houvast gunnen.