De God van Spinoza. Argumenten voor een hedendaagse ethiek door Jeroen Bartels op 03.11.2015

Om iets te begrijpen van de ethiek die Spinoza uitwerkt, moeten we ons eerst richten op dit Godsbegrip. Wat kunnen we zeggen van de ‘God’ van Spinoza, een ‘God’ die volgens hem radicaal verschilt van de ‘God’ van de openbaringsreligies.

 

Spinoza’s ethiek is een strikt seculiere, ‘naturalistische’ ethiek. Zijn werk opent met een beschouwing over de uiteindelijke grondslag van alles wat is, die zelf niet meer door een ander principe kan worden verklaard, maar oorzaak van zichzelf is. Deze grondslag, aangeduid met de term ‘substantie’, wordt direct al in het begin ‘God’ genoemd en gelijk gesteld aan de oneindige dynamische werkelijkheid van de ‘natuur’. Waarom handhaaft Spinoza de term ‘God’? Buiten deze ‘natuur’ bestaat er niets. Ieder onderscheid tussen ‘natuur’ en iets dat boven de natuur uit zou gaan of zich ‘achter de natuur’ zou bevinden wordt door hem van de hand gewezen.

 

Aan het einde van de Ethica blijkt dit substantie- resp. Godsbegrip een beslissende rol te spelen bij de uitwerking van de mogelijkheden die mensen hebben om tot ‘ware vrijheid’ en ‘geluk’ te komen. Men kan volgens hem alleen spreken van een toename van vrijheid wanneer deze tot uitdrukking komt in het eigen handelen en de dagelijkse praktijk van het leven.

 

Na een korte karakterisering van de opbouw en contouren van Spinoza’s ethiek geeft Jeroen Bartels enkele argumenten voor de stelling dat Spinoza’s naturalistische (dat wil zeggen niet in een openbaringsgeloof gefundeerde), wetenschappelijke benadering onmisbare bouwstenen levert voor een ethiek voor de huidige tijd.