Arie Bos,  Mijn brein denkt niet, ik wel.

Sinds zo’n twee eeuwen is het steeds lastiger geworden om nog iets wetenschappelijk serieus te nemen dat niet in fysisch-chemisch termen is beschreven of verklaard kan worden. Zo wordt het bewustzijn nu verklaard als een fysiek product van de hersenen. Het gevolg ervan is dat alle ongerijmdheden die in het bewustzijn verschijnen (zoals visuele illusies) verklaard worden als werk van de hersenen. Dat leidt tot cirkelredeneringen, terwijl nooit is opgehelderd hoe dat productieproces er dan uit zou zien of waar het bewustzijn dan van gemaakt is. Er is zelfs neurowetenschappelijk onderzoek dat twijfel zaait aan die vermeende zekerheid. Het omgekeerde is echter wel uitgebreid vastgesteld: het bewustzijn vormt en verandert voortdurend de hersenen. Dat staat bekend als de plasticiteit van de hersenen. Waarom zou dat het geval zijn? Suggereert dat niet eerder een instrumentele dan een causale rol voor de hersenen? Maar instrument van wat? Van wie? Van de eigenaar van de hersenen, lijkt het meest voor de hand liggend antwoord.

Vroeger spraken we niet over bewustzijn maar over de ziel. We hebben tegenwoordig geen idee meer wat dat is. Wat de ziel is en dat die niet in ons hoofd gelokaliseerd is, kunnen we (misschien) tijdens de lezing ervaren. Dit alles kan aannemelijk maken dat we geen automaten zijn zoals neurowetenschappers van de ‘wij zijn ons brein’-school denken aan te kunnen tonen, maar dat we wel degelijk beschikken over de mogelijkheid van een vrije wil. Ook roept dit vraag op of wij een ’ik’ of een ‘zelf’ hebben. Dat is een aanname die in deze tijd niet meer wetenschappelijk of filosofisch aanvaardbaar wordt gevonden. Er zijn echter veel redenen om het bestaan van een ‘zelf’ toch reëel te achten. 

.

Arie Bos was tot aan zijn pensioen huisarts en huisartsopleider in Amsterdam. Hij gaf en geeft wetenschapsfilosofie en neurofilosofie aan het UMC Utrecht.

Hij is auteur van ‘Aids en antroposofische geneeskunde’ (Zeist 1987), van ‘Hoe de stof de geest kreeg’ (Zeist 2008) en van “Mijn brein denkt niet, ik wel’ (Zeist 2014).

 

Zijn belangstelling voor de neurowetenschappelijke paradox (het brein maakt bewustzijn en het bewustzijn verandert vervolgens weer het brein) werd gewekt in de jaren tachtig toen hij veel Aids patiënten in behandeling had. De invloed van de psyche op het immuunsysteem viel duidelijk waar te nemen, waarbij het primaat van de psyche ontwijfelbaar leek, waardoor de vraag urgent werd: wat is nu de relatie tussen psyche en hersenen? Twintig jaar lezen en leren op dit gebied heeft geleid tot zijn laatste boek: Mijn brein denkt niet, ik wel.