Han Thomas Adriaenssen, Ongelijkheid in de Geschiedenis van de Filosofie: Winnaars en Verliezers.

Ongelijkheid in de Geschiedenis van de Filosofie: Winnaars en Verliezers

Wie verloor in 2007 de Franse presidentsverkiezingen? En welk land werd derde tijdens het WK voetbal van 2006? Misschien dat sommigen op deze vragen meteen kunnen antwoorden: ‘Ségolène Royal’ en ‘Duitsland’, maar voor de meesten van ons geldt dat vermoedelijk niet. We onthouden winnaars (François Sarkozy, Italië) meestal nu eenmaal eenvoudiger dan verliezers.

Wat geldt voor sport en politieke geschiedenis, geldt voor de geschiedenis van de filosofie net zo. Plato, Aristoteles, Thomas van Aquino, Kant, Nietzsche – het zijn de winnaars van de historiografie. Het zijn de filosofen die centraal staan in ons onderwijs, en het zijn ook de denkers waar historici van de filosofie met afstand de meeste aandacht voor hebben. De namen van de kleinere goden zijn vaak maar nauwelijks bekend. Maar is deze ongelijke behandeling wel terecht?

Die vraag zal Han Thomas Adriaenssen in deze inleiding proberen te beantwoorden door te kijken naar winnaars en verliezers in de filosofie van de zeventiende eeuw. De periode 1600-1700 was ook filosofisch gezien in veel opzichten een Gouden eeuw: denkers als Descartes, Spinoza en Locke schudden de erfenis van de Middeleeuwen van zich af, en begonnen met een schone lei. Het resultaat was een bloeiperiode van filosofie en wetenschap, die uiteindelijk uit zou monden in de Verlichting.

In de schaduw van deze grote denkers vinden we echter ook filosofen die minder gecharmeerd waren van Descartes’ vernieuwingen. Conservatieven verlangden terug naar het Aristotelische denken uit de Middeleeuwen, en zelfs denkers die welwillender stonden tegenover de moderne filosofie waren bang dat de vernieuwers de baby met het badwater weg zouden spoelen. Van deze tegengeluiden weten de meesten van ons maar weinig af. ‘Terecht’, zou iemand kunnen zeggen. ‘Uiteindelijk hebben de vernieuwers aan het langste eind getrokken. De mindere goden uit de intellectuele geschiedenis zijn domweg niet gelijkwaardig aan helden als Descartes en Spinoza. Laten we onze tijd en aandacht dus op deze helden concentreren’.

Maar dit antwoord ziet iets over het hoofd. Juist de ongelijkheid vertrekpunten van radicale vernieuwers en conservatievere geesten maakt de zeventiende eeuw zo’n rijke en boeiende eeuw voor de filosofie. Conservatieven daagden de vernieuwers uit te laten zien dat vernieuwing ook echt vooruitgang is, en de vernieuwers wierpen uitdagingen op voor traditionele denkbeelden. Dit dwong beide kampen hun posities en hun argumenten aan te scherpen en te overdenken. Dit proces vertaalde zich in een rijke en gevarieerde zeventiende eeuw. Alleen wanneer we voldoende aandacht hebben voor zowel de winnaars als de verliezers van de intellectuele geschiedenis, kunnen we die rijkdom en variëteit ook echt zien.  

Han Thomas Adriaenssen studeerde af in de filosofie en het Italiaans in Groningen en Siena (beide cum laude) en studeerde daarnaast korte tijd in Sint-Petersburg. In 2008 ontving hij een Toptalent-beurs van NWO en promoveerde (cum laude) in 2013 op een proefschrift over scepticisme en representatie. Hij doceert verschillende vakken over middeleeuwse en vroegmoderne filosofie.

 

Spreker is gespecialiseerd in de geschiedenis van de kentheorie en cognitieve psychologie. Hij houdt zich bezig met het werk van middeleeuwse en vroegmoderne filosofen zoals Thomas van Aquino en René Descartes.

 

Schijnbaar lastige filosofische problemen worden met de uitleg van Han Thomas Adriaenssen eenvoudig en helder. Tot drie keer toe werd hij verkozen tot docent van het jaar van de Faculteit Wijsbegeerte: in 2010, 2012 en 2013.