Over ‘emergentie’ gesproken…… Als het geheel meer lijkt te zijn dan de som der delen en als je intuïtie zegt dat er meer is tussen hemel en aarde.  16.12.2014

Kan het begrip emergentie - als derde weg tussen reductionisme en holisme – de kloof tussen de exacte- en de menswetenschappen overbruggen? Kan het een rol spelen bij het integreren van tegengestelde wereldbeelden?

Emergentie is een complex begrip. Het is de idee dat de werkelijkheid is opgebouwd uit hiërarchische niveaus van organisatie, waarbij het geheel niet kan worden gereduceerd tot haar (onder)delen en waarbij tegelijkertijd het geheel ook niet wordt gezien als iets van bovennatuurlijke of spirituele aard.

Een klassiek voorbeeld van emergentie is een termietenheuvel. Aan de hand van het gedrag van een enkele mier kan men niet afleiden hoe de mierenkolonie georganiseerd is. In de wijsbegeerte wordt de “geest” soms een emergente eigenschap genoemd. Deze geest komt voort uit fysieke processen maar kan hiertoe niet worden gereduceerd. De emergerende kwaliteit heeft een eigen aard, maar kan niet bestaan  zonder de onderliggende  materiële elementen.

Het begrip emergentie speelt een rol in de wetenschap als mogelijke derde weg tussen (reductionistische) verklaringsmodellen uit de bèta wetenschappen en (holistische) verklaringsmodellen uit de alfa wetenschappen.

De afgelopen decennia zijn er enorme successen geboekt binnen wetenschappen als bijvoorbeeld genetica en neurologie. Naast praktische voordelen zijn er ook zorgen over deze successen; vooral vanwege de manier waarop er tegen mens en natuur aangekeken wordt, en de rol van de natuurwetenschappen hierin. Eind jaren ’70 werd criminoloog Wouter Buikhuisen nog vergeleken met Josef Mengele, omdat hij onderzoek wilde doen naar biologische factoren van criminaliteit. Het emancipatie-denken van de na-oorlogse periode stond niet toe dat mens en cultuur gereduceerd zouden worden tot louter materiële en mechanische processen (Sartre: “Wij zijn onze keuzes”). Anno 2014 zou het onderzoeksvoorstel van Buikhuisen nog maar weinig wenkbrauwen doen fronsen. Bestsellers als ‘Wij zijn ons brein’ (Swaab) en ‘De vrije wil bestaat niet’ (Lamme) illustreren dat ‘harde’ wetenschap het maatschappelijk gelijk aan zijn kant heeft gekregen: ons gedrag is een resultaat van ‘stofjes in de hersenen’, en is tot op grote hoogte ‘genetisch bepaald’, zo lijkt de (bèta)wetenschap aan te tonen. Maar als psychologie en sociologie reduceerbaar zijn tot neurologie en biologie, zijn deze wetenschappen op hun beurt dan niet te reduceren tot chemie en natuurkunde? Stel dat we de middelen zouden hebben, zou dan in principe alles (mens, cultuur, geest, leven, etc.) verklaard kunnen worden aan de hand van kennis over elementaire deeltjes? Volgens de basis-principes van de natuurkunde is alles onderworpen aan causale wetten (oorzaak leidt tot gevolg), en verbiedt de Wet van Behoud van Energie verwijzingen naar boven-natuurlijke oorzaken. Zijn alle intuïties dat 'er meer is tussen hemel en aarde', en dat 'het geheel meer is dan de som der delen' overblijfselen van een religieus of romantisch verlangen naar betekenis en zin? De angst voor dit gevaar heeft geleid tot twee academische culturen: de sciences (natuurwetenschap) en humanities (letteren); twee werelden met elk hun eigen taal, wereldbeeld en tradities, die niet in staat lijken zinvol met elkaar te communiceren. De sciences willen hun studie-object verklaren door het te analyseren en reduceren tot haar bouwstenen, de humanities hanteren een holistische methode, waarin dingen 'in hun waarde worden gelaten'. Maar in de marges, op de grens tussen alfa en bèta (biologie, psychologie, sociologie), lijkt er een derde cultuur te ontstaan, die geen genoegen neemt met de dualistische boedelscheiding tussen beide werelden. Het concept 'emergentie' speelt hierin een centrale rol.

Edward van der Tuuk, drs. MA. filosoof, docent,

studeerde Sociale filosofie, ethiek en wetenschap & samenleving aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij behaalde zijn Master of Arts (MA) met een studie naar de ethische implicaties van de wettelijke erkenning van 'intrinsieke waarde' in de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren en de Wet op de Dierproeven in relatie tot moderne biotechnologie. Zijn interesse gaat vooral uit naar evolutietheorie, antropologie, ideeëngeschiedenis, kennissociologie en godsdienstwetenschap. Naast zijn werk als docent voor het Instituut voor Filosofie, het HOVO (Hoger Onderwijs voor Ouderen), de Volksuniversiteit en het Cultureel Studentencentrum USVA is hij werkzaam als onafhankelijk documentairemaker binnen de Stichting Mirrormundo die bestaat sinds 2000. Doel van Mirrormundo is om door middel van media- en kunstproducties maatschappelijke ontwikkelingen te laten zien die zijn verbonden met economie, politiek, globalisering en milieuvraagstukken.