drs. Arend Klaas Jagersma.   De ingrediënten van geluk.
Aristoteles'  Ethica Nicomachea


Dat we allemaal gelukkig willen worden lijkt geen problematische veronderstelling, maar eerder een open deur. Over de vraag wat gelukkig zijn precies inhoudt en of we er actief aan kunnen bijdragen om het te worden bestaat minder overeenstemming. De kwestie inzake de aard van het menselijk geluk heeft de wijsgerige gemoederen danig beziggehouden. Dat geldt evenzeer voor het zoeken naar de juiste methode ter bevordering van het gelukkige leven.


Een oude, invloedrijke en volgens sommige hedendaagse filosofen nog steeds inspirerende opvatting is te vinden bij een van de wijsgerige reuzen uit de Klassieke Oudheid, tevens de bekendste leerling van Plato, te weten de Griekse denker Aristoteles (384-322 v.Chr.). Hij schreef een beroemd boek over dit thema, dat we tegenwoordig kennen als de Ethica Nicomachea. Volgens een enquête gehouden in 2003 onder hoogleraren filosofie in Nederland en Vlaanderen dient het zelfs te worden beschouwd als het belangrijkste en invloedrijkste wijsgerige werk aller tijden.


Sommigen beweren dat hij het boek schreef voor zijn zoon Nicomachus, met de bedoeling hem aan te sporen een voortreffelijk en succesvol leven te leiden. Alleen een dergelijk leven maakt namelijk gelukkig, meende Aristoteles. Hij brengt daarmee - ten eerste - een verbinding aan tussen geluk (eudaimonia) en voortreffelijkheid of deugdzaamheid (arete). Volgens Aristoteles hangt geluk nauw samen met het ontwikkelen van positieve (karakter)eigenschappen of deugden. In zijn Ethica bespreekt hij tal van dergelijke deugden, zoals praktische wijsheid, gematigdheid, rechtvaardigheid en vriendschap. Hij wordt daarom ook wel gezien als de grondlegger van een der hoofdstromingen in de filosofische ethiek: de zogenaamde 'deugdethiek'. Deze ethiek blijkt - ten tweede - ingebed in een theorie over de mens. Aristoteles beschouwt mensen als wezens met kenmerkende mogelijkheden, die men dient te verwerkelijken, en waar men wel of niet in kan slagen. Geluk is volgens hem ook een vorm van gelukken. Ten derde vereist geluk dus inspanning en is het niet zozeer een toestand, laat staan een gevoel, maar veeleer een activiteit, en wel van een voortreffelijk soort.


Deze opvattingen zijn prikkelend en allerminst onweersproken gebleven, maar oefenen tot op de dag van vandaag hun onmiskenbare invloed uit.

Arend Klaas Jagersma (1970) studeerde, na een korte omzwerving via theologie en conservatorium, cum laude af in de filosofie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Hij was nadien enige jaren als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de Faculteit der Wijsbegeerte van de RUG, waar hij werkte aan een proefschrift over de opvattingen van de Duitse filosoof Ernst Cassirer (1874-1945). Voor deze faculteit verzorgt hij bij tijd en wijle nog steeds colleges. Deze handelen veelal over de geschiedenis van de filosofie, van de Oudheid tot aan de hedendaagse tijd. Daarnaast verzorgt hij als zelfstandig docent voor verschillende onderwijsinstellingen, waaronder HOVO-instituten en de Vrije Academie, tal van cursussen op dit terrein. De afgelopen jaren heeft hij in het bijzonder aandacht besteed aan uiteenlopende denkers als Plato, Aristoteles, Kant, Hegel, Schopenhauer, Heidegger, Wittgenstein, Popper en Foucault. Daarnaast is hij werkzaam als vrijgevestigd onderzoeker.