28.01.2020  We sterven uit, maar het laat ons koud. Door René ten Bos.

Het uitsterven van diersoorten is volgens René ten Bos een van de meest urgente problemen van onze tijd. Desondanks is er weinig filosofische reflectie over.
Extinctie gaat niet zozeer om het verdwijnen van het laatste exemplaar van een bepaalde soort, maar veeleer om een proces van ‘uitdoven’. Niet alleen het voortbestaan van planten en dieren staat op het spel, maar ook dat van onszelf. Hoewel het uitsterven van de mens filosofen van alle tijden heeft bezighouden, kunnen we volgens Ten Bos ons eigen uitdoven niet los zien van dat van andere soorten.
Staan we aan de vooravond van een onafwendbare ecologische ramp? Of kunnen we het tij nog keren?  En wat als de mens zelf een uitstervende soort wordt? We lijken onze schouders er vaak over op te halen. Hoe komt dat toch, vraagt Ten Bos zich af. Hoe is vanuit de filosofie over het einde te denken?


René ten Bos (1959) is hoogleraar filosofie van de managementwetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen en was Denker des Vaderlands (2017-2019). Van zijn hand verschenen bij Boom onder meer Extinctie (2019), Volk in de grot (2018), Dwalen in het antropoceen (2017), genomineerd voor de Socratesbeker 2018), Water (2014, genomineerd voor de eci-literatuurprijs) en Bureaucratie is een inktvis (2015). Met dat laatste boek won Ten Bos de Socratesbeker 2016.
Het werk van René ten Bos kenmerkt zich vaak door zware thema’s die hij vaak met humor en blijmoedigheid benadert. Hij schreef over de verhouding tussen mens en dier, over de ecologische catastrofe die de mensheid heet, over de ondoorzichtige transparantie van water, maar ook over bureaucratie, gestes en tal van andere onderwerpen. Hoe filosofisch die teksten ook zijn, hij is het met dichter H.H. ter Balkt eens dat de laatste schoven die na het dorsen achterblijven op een stoppelveld ook filosofische waarde hebben. Als filosofie denken is, dan moet dit denken iets zijn dat ook in de dingen zit. Of in de planten of in de dieren. Niets is fouter dan denken dat denken alleen maar een menselijke bezigheid is.


Hoe blijmoedig ook, complexiteit zal Ten Bos nooit schuwen. Daarom heeft hij een hekel aan moraalridders, volksverlakkers en andere mensen die menen voor alles een snelle oplossing te hebben. Dat wil niet zeggen dat hij tegen oplossingen is, integendeel zelfs, maar dat hij twijfelt aan oplossingen die geen oplossingen zijn. Hij twijfelt ook aan gladde meningen. Vandaar dat zijn denken vaak via kronkels, omwegen, zijpaden en vluchtroutes vorm krijgt. Noem het fijnzinnige oriëntatie in een absurde wereld. Noem het zwerven. Noem het meanderen. Noem het zedeloos. Het denken moet, zoals de Poolse dichteres Wislawa Szymborska het ooit eens zei, vooral dat zijn: ‘zedeloos’. Dat wil zeggen: het moet ongedisciplineerd, wild, onbeheerst en gewoon mooi durven te zijn. Als voormalig Denker des Vaderlands tracht hij een brug slaan tussen de inzichzelfgekeerdheid van de filosofie en maatschappelijke vraagstukken zonder daarbij de zaak nodeloos te vereenvoudigen. Dit getuigt natuurlijk van filosofische overmoed, maar denken is dan ook vooral durven.

Zie ook:  https://renetenbos.nl/

 

Rene ten Bos__192.jpg

foto  Duncan de Fey