Is muziek haar eigen baas? Over muziekfilosofie.
Door Albert van der Schoot.

Een van de meest fascinerende episodes in de geschiedenis van de muziek is het proces waarin de muziek zich losmaakt van haar binding aan teksten in liturgie, lied of drama. Dit gebeurt in de achttiende eeuw, de periode van de Verlichting, terwijl filosofen en andere theoretici even de andere kant op kijken. Waar aan het eind van de Renaissance componisten zich bij de ontwikkeling van de monodische componeerstijl lieten leiden door theoretici, zien we nu het omgekeerde: componisten verwijderen zich van het mimetisch paradigma waarin de muziek een verwijzende of ondersteunende functie heeft, en laten de muziek haar eigen weg zoeken en haar eigen wetten ontwikkelen.

Na millennialange onderwerping aan het woord wordt de muziek nu autonoom. Ze voltooit daarmee een vrijheidsstrijd, die pas in de negentiende eeuw bij Arthur Schopenhauer zijn filosofische erkenning krijgt – en vervolgens in Eduard Hanslick een evangelist vindt.

Albert van der Schoot studeerde muziekwetenschap en filosofie aan de Universiteit van Amsterdam, en muziekpedagogiek aan de Ferenc Liszt Academie in Boedapest. Hij doceerde esthetica en cultuurfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam, en muziekfilosofie aan de Universiteit Antwerpen. Daarnaast was hij lector ‘kunst en reflectie’ aan de hogeschool voor de kunsten ArtEZ. Hij promoveerde op een onderzoek naar de ideeëngeschiedenis rondom de gulden snede ('De ontstelling van Pythagoras', Kampen, Kok Agora, 1998). In 2005 verscheen, onder redactie van hem en Erik Heijerman, 'Welke taal spreekt de muziek?' Samen met Rokus de Groot redigeerde hij 'Redefining musical identities – Reorientations in the waning of Modernism' (2007).  In 2008 verscheen 'Kunst als morele vrijplaats'.

 

Sinds 1992 was hij elk jaar betrokken bij de muziekweken van de ISVW in Leusden, en ook na zijn pensioen geeft hij daar regelmatig cursussen.